11/01/2012 - '2012: voor de één een magisch jaar, voor de ander niet meer dan een volgend jaar. Hoe het ook beleefd wordt, ik hoor steeds meer mensen - opdrachtgevers, ondernemers en visionairs die ik interview - zich uitspreken over een groeiend bewustzijn. Soms in het leven als geheel, soms ten aanzien van het werk. Hoe het ook zij: 2012 geeft 366 dagen om zowel voor- als achteruit te kijken. Bewust van de plaats die we innemen in de tijd en voortbouwend aan onze droom. Ik wens u inspiratie en verwondering.'

Inburgeren |
|
Begin september worden in Valburg de jaarlijkse zomerfeesten gehouden. Drie dagen lang, met een kermis, een feesttent, veel muziek en gezellige spelletjes. ’s Avonds horen we de bassen van George Baker over het weiland aanzwellen. Het trekt feestgangers uit de omliggende dorpen. Wij blijven op De Mellard en laten het festijn aan ons voorbijgaan. Gisteren zag ik een reportage in een nieuwsrubriek. In het dorp Zuiderwoude, gemeente Waterland, maakt de plaatselijke dominee Rieks Hoogenkamp een issue van het grote aantal nieuwkomers uit de stad, dat niet of nauwelijks integreert met de lokale bevolking. Ze bewonen kapitale huizen, werken beiden en hebben geen tijd om zich bezig te houden met wat er in het dorp gebeurt. Ze vormen inmiddels 70 procent van de bevolking en gebruiken de acht dorpen in de polders vooral als ‘bejaardenresort’, vindt dominee Hoogenkamp. ‘Er verdwijnt een hele dorpscultuur.’ De mensen die er komen wonen zijn vooral veertigers. De man heeft een baan in de reclame, de vrouw doet iets juridisch en ze hebben twee of drie blonde kinderen die dagelijks haastig naar school worden gebracht en weer worden opgehaald. Maar daar blijft de integratie dan ook bij. ‘Visueel is het niet onprettig,’ stelt Hoogenkamp, ‘ze restaureren hun huizen, hebben mooie auto’s en in de sportschool gestylede bodies.’ Inhoudelijk is hij minder optimistisch. ‘Deze mensen willen geen verantwoordelijkheid dragen voor de klaverjasclub, de kerk en de toneelvereniging. Dat zijn dingen die blijvende inzet vereisen van mensen: er moeten kopjes worden afgewassen en voor penningen worden gezorgd.’ Over en weer gaan er namen over tafel. ‘Stadskippen’ noemen de boeren de welstandige nieuwkomers. Anderen gebruiken de meer beladen woorden ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’ en daarmee is de problematiek ineens uitvergroot tot wereldschaal. Het maakt niet uit over welke grens je stapt, wie van buiten komt is per definitie allochtoon. Dat geldt voor een Somaliër in Amsterdam evenzeer als voor een Mokummer in Waterland. Het initiatief tot een cursus inburgering is genomen. Daarmee wordt met een knipoog aan de kaak gesteld dat wonen in een dorp meer is dan wonen. Bij goed gevolg ontvangen de cursisten een heus papiertje. Voorbeelden van vragen die de ‘binnenkomers’ voorgelegd krijgen: Waaraan herken je een stier? Waarom bouwen de boeren schuren net voor ons uitzicht? Wat doe je als er een koe in de sloot ligt? Het antwoord: ‘de boer bellen’ is niet voor iedere hoogopgeleide import-Waterlander vanzelfsprekend. Uiteindelijk beperkt het aantal boeren in het dorp zich nog tot een schamel viertal. De mensen leven langs elkaar heen is de herkenbare klacht. De yuppen beschouwen de autochtonen als ‘randdebielen’. De lokale bevolking ziet hen omgekeerd als ‘gemeenschapsanalfabeten’ die liever naar het Concertgebouw gaan dan naar een muziekfestijn in het dorp. De allochtonen vinden de cursus onzin en beledigend, iedereen moet zelf weten wat hij doet en ze zijn hier tenslotte komen wonen voor de rust. Een boer ziet het anders. Hij is blij met de nieuwkomers. Ze geven meer kleur aan het dorp en daar wordt hij vrolijk van. De wereld verkleind tot Waterland. Ik denk na over de reportage en neem me voor volgend jaar naar de zomerfeesten te gaan. De klaverjasclub zie ik niet zitten, maar voor een schaap in de sloot draai ik mijn hand niet langer om. Wim Huijser |
terug naar de homepagina
